Zondagochtend. Buiten hangt er een troosteloze, grijze deken over de stad. De motregen slaat zachtjes tegen het raam, en de koffie in mijn mok is sterk, zwart, en net een tikje te bitter. Een betere metafoor voor het humeur van de gemiddelde FC Utrecht-supporter na wéér een weekend vol beloftes en een uiteindelijke anticlimax is er simpelweg niet. Gistermiddag, klokslag half vijf, begon de confrontatie met PEC Zwolle. Negentig minuten, zweet, wat tactische vernuften en een flinke dosis frustratie later, stonden we met dat inmiddels o zo vertrouwde gevoel buiten de poorten van de Galgenwaard: we hebben niet verloren, we speelden bij vlagen best aardig, maar winnen? Winnen is een werkwoord dat deze ploeg momenteel maar lastig leert vervoegen.
Voordat we echter massaal onze sjaals bij het grofvuil zetten, de seizoenskaarten door de papierversnipperaar halen en besluiten dat de zondagmiddag voortaan beter besteed kan worden aan het kijken naar groeiend gras of een cursus pottenbakken, moeten we eerlijk proberen te zijn. Laten we de balans zorgvuldig opmaken. Want als je door je wimpers kijkt (en misschien een klein slokje neemt van iets sterkers dan die bittere koffie), valt er best wat licht te ontdekken in de Utrechtse duisternis. Tegelijkertijd valt er één gigantische, gapende schaduw over het veld, een schaduw in de vorm van een afwezige spits. Maar daarover later meer.
De Zonnige Kant: Yoga op het Middenveld en het Einde van de Blinde Paniek
Laten we aftrappen met de positieve noten, want de goden weten dat we die nodig hebben. Het is voor de doorgewinterde cynicus op de Bunnikside verleidelijk om alleen naar de schamele puntendeling op het scorebord te staren, maar wie de moeite neemt om in te zoomen op het daadwerkelijke veldspel, ziet dat het fundament van dit elftal simpelweg beter staat. Het blinde paniekvoetbal, de periode waarin de bal structureel de tweede ring in werd gerost zodra er een speler in een blauw-wit shirt in de buurt kwam, lijkt langzaam maar zeker te verdwijnen.
Er is merkbaar meer rust aan de bal. Er is zowaar weer zoiets als ‘opbouw’ te ontdekken in de Domstad. Waar we in eerdere fases van het seizoen nog wel eens keken naar elf individuen die toevallig hetzelfde shirt droegen en een bal in dezelfde richting probeerden te schoppen, zagen we gisteren bij vlagen echt combinatiespel. Driehoekjes! In de Galgenwaard! Je zou bijna denken dat we per ongeluk naar een obscure Spaanse zender zaten te kijken in plaats van naar een ploeg die knokt voor de broodnodige punten in de Eredivisie.
Wat misschien nog wel het meest hartverwarmende was gistermiddag – en wat de handen meermaals op elkaar kreeg – was de reactie na balverlies. Het ouderwetse Utrechtse ‘afjagen’ is terug van weggeweest. Waar we voorheen nog wel eens met stijgende verbazing moesten aanzien dat spelers na een slechte pass theatraal misbaar gingen maken richting de scheidsrechter, het onschuldige gras de schuld gaven, of hun veters gingen strikken, daar was het gisteren anders. Het team klapte er als een roedel hongerige wolven bovenop om de bal binnen vijf seconden te heroveren. Dat is de passie die we hier willen zien. Dat is de basis.
De Regisseurs van de Rust: Van Overeem en Agougil
Binnen die positieve noot verdienen twee namen een speciaal, in goud omrand hoofdstuk in de analyse van gisteren: Joris van Overeem en Othmane Agougil. Dat duo speelde op het middenveld alsof ze vlak voor de warming-up gezamenlijk een driedaagse yogaretreat in de Himalaya hadden afgerond, inclusief stiltegeloftes en ademhalingsoefeningen. Ze straalden een pure, ongefilterde zen uit.
Die ongekende rust die zij aan de bal brachten, werkte als een kalmeringsmiddel op de rest van het soms zo neurotische elftal. Waar anderen zich nog wel eens lieten opnaaien door het tempo van de wedstrijd, daar stonden Van Overeem en Agougil als volleerde schaakmeesters de boel te regisseren. Ze namen de bal aan, keken over de schouder, wogen de opties en gaven zelden een ziekenhuisbal. Ze lieten zien dat voetbal in de Eredivisie echt geen vechtsport of hordelopen hoeft te zijn om dominant te kunnen spelen. Het was bij vlagen een genot om naar te kijken. Totdat… ja, totdat de bal richting de voorhoede ging.
De Donkere Wolken: Het Zestienmeter-Spook en de Kunst van het Compliceren
Dan is het nu tijd om de roze bril resoluut af te zetten en in het bakje ‘Gevonden Voorwerpen’ te deponeren, want het blijft natuurlijk wel FC Utrecht. Hoe prachtig de opbouw soms ook liep, er zijn van die ongeschreven Utrechtse wetten die ons als een donderwolk blijven achtervolgen. Allereerst de grootste frustratie van de moderne voetbalgeschiedenis in Midden-Nederland: De Nul.
Het concept van ‘de nul houden’ lijkt in ons stadion inmiddels getransformeerd tot een mythische legende, vergelijkbaar met de yeti, het Monster van Loch Ness of een punctuele intercity in de herfst. Weer kregen we een tegentreffer om de oren. En het voelt altijd zo onvermijdelijk. Je voelt het op de tribunes al minuten van tevoren aankomen. Eén moment van onoplettendheid, één keer niet doordekken, en bam: de bal ligt achter onze doelman. Het is een structureel, bijna pathologisch probleem dat ervoor zorgt dat we onszelf continu in de voet schieten. Als je de nul niet kunt houden, moet je per definitie twee keer scoren om überhaupt aan winnen te mogen denken. En daar, lieve lezer, stuiten we op het meest pijnlijke pijnpunt van gistermiddag.
Tot aan de rand van het Zwolse zestienmetergebied leek ons elftal gisteren dus op die geoliede machine. De passes waren strak, het positiespel was verzorgd, we domineerden. Maar zodra die magische witte krijtlijn rondom het doel van de tegenstander in zicht kwam, leek het alsof er een onzichtbaar krachtveld was opgetrokken. De creativiteit verdampte ter plekke, en een verlammende besluiteloosheid sloeg toe.
Het werd allemaal zo priegelig. Zo ontzettend bedacht. We kregen de bal, we zagen een gaatje, en in plaats van simpelweg af te drukken, volgde er nóg een kapbeweging. Nóg een hakje. Nóg een breedtepass. We combineerden onszelf het absolute ziekenhuis in, maar vergaten de meest basale regel van deze sport: er moet ergens in dat eindeloze weefwerk van passes ook nog gewoon snoeihard op doel geschoten worden. Het voelde bij vlagen alsof we probeerden de bal het doel in te knuffelen.
Het Grote Gemis: De Noodkreet om Artem Stepanov
En precies daar, op die zestienmeterlijn, zagen we de immense leegte die gisteren over het veld hing. Het gemis van Artem Stepanov was niet zomaar voelbaar; het was tastbaar, het schreeuwde vanaf de tribunes, het galmde door de catacomben. Waar de huidige voorhoede gisteren de neiging had om beleefd aan de deur van de Zwolse verdediging te kloppen met de vraag of ze alsjeblieft mochten scoren, trapt Stepanov die deur met kozijn en al naar binnen, zonder het antwoord af te wachten.
Stepanov is de belichaming van wat deze ploeg momenteel het meest ontbeert: meedogenloosheid. Een pure, onvervalste killer. Zo’n spits die niet na hoeft te denken als hij de bal in de zestien krijgt. Die geen drie kapbewegingen nodig heeft om goed te gaan staan, maar die de bal aanneemt – en soms niet eens dat – en de trekker overhaalt. Boem. Kassa.
Hoe vaak dachten we gisteren niet: “Als Artem hier had gestaan…” Bij die strakke voorzet vanaf de rechterkant, waar nu iedereen onderdoor liep. Bij die klutsbal in de doelmond, waar nu drie Utrechters naar stonden te kijken alsof het een modern kunstwerk was, had Stepanov zijn schoenmaat 45 er al lang en breed doorheen geramd. Hij is het soort spits dat niet meedoet aan het ‘vrijblijvende’, dat niet geeft om balbezitpercentages of mooie driehoekjes op de middenlijn. Hij leeft voor die ene vierkante meter voor de keeper.
Zonder hem is de aanval van FC Utrecht als een prachtig opgemaakt vijfgangendiner zonder hoofdgerecht. Het ziet er fantastisch uit, de entourage klopt, de bediening (ons middenveld) is uiterst galant, maar aan het eind van de avond ga je toch met een knorrende maag naar huis. Stepanov maakt het verschil tussen een ‘leuke pot voetbal waarin we onszelf vergeten te belonen’ en gewoon drie vuile punten in de tas. Zijn afwezigheid onderstreepte gisteren pijnlijk de kwetsbaarheid van een elftal dat wel kan voetballen, maar het niet kan afmaken.
De Vrijblijvendheid en de Harde Realiteit van de Ranglijst
Dat gebrek aan een killer hangt samen met een ander negatief aspect van gistermiddag: de uitstraling van het elftal op bepaalde momenten. Hoe lovend we ook kunnen zijn over de rust en het tiki-taka op het middenveld, het slaat in bepaalde fases van de wedstrijd veel te ver door naar de andere kant. Het wordt gezapig.
Met momenten ziet het er allemaal stuitend vrijblijvend uit. Dan zakt het tempo volledig uit de wedstrijd, de urgentie verdwijnt als sneeuw voor de zon en het tafereel op het veld begint meer te lijken op een vriendschappelijk zomeravondpotje tegen een lokale amateurclub dan op een bikkelharde overlevingsstrijd in de Eredivisie. Voetbal is meer dan alleen maar esthetisch verantwoorde balcontacten; soms moet je gewoon lelijk over een tegenstander heen walsen. Soms moet er bloed aan de paal. Gisteren ontbrak dat gif, die verbetenheid om koste wat kost een bal over die lijn te werken, veel te vaak.
Mijn eigen, enigszins cynische inzicht na gisteren? We lijden als club collectief aan het ‘Net-Niet-Syndroom’. We zitten in een bizarre spagaat: we willen tegelijkertijd vechtvoetbal à la de jaren ’90 laten zien én we willen oogstrelend combinatievoetbal spelen dat thuishoort in de Champions League. Het resultaat is dat we op beide fronten net niet genoeg leveren om een wedstrijd definitief in het slot te gooien. Voetballend steken we inmiddels echt de helft van de ploegen in de Eredivisie de loef af – serieus, we hoeven voor niemand onder te doen tot aan die verdomde zestienmeterlijn – maar qua killersmentaliteit en meedogenloosheid spelen we ergens anoniem mee in de kelderklasse van het betaalde voetbal.
En we kunnen onszelf voor de gek blijven houden, we kunnen de statistieken van balbezit en succesvolle passes inlijsten, maar de ranglijst liegt verdomme nooit. Die is koud, kil en objectief. En we staan, ondanks de overduidelijke verbeteringen in het positiespel, het toegenomen plezier in het elftal en de strakkere tactische discipline, nog steeds veel en veel te laag. Leuk hoor, al die schouderklopjes van analisten over dat we “leuk meevoetballen” en “zichzelf tekort hebben gedaan”. Maar daar koop je bij de lokale bakker geen halfje bruin voor, en je klimt er bovenal geen centimeter mee richting het linkerrijtje.
Tot Slot: Wachten op de Verlosser
De uiteindelijke conclusie van gistermiddag FC Utrecht – PEC Zwolle? Er zit ontegenzeggelijk veel meer potentie in dit elftal dan we wekenlang hebben gedacht. De basis lijkt, mits we het verdedigende lek ooit nog eens gedicht krijgen, gelegd. Als we het dominante en uiterst intelligente veldspel van een Van Overeem en Agougil kunnen behouden en verder kunnen uitbouwen, staat er een huis op het middenveld.
Maar… dat huis heeft geen dak zolang we voorin blijven spelen met de vriendelijkheid van een padvinder die koekjes verkoopt. De vrijblijvendheid móét worden ingeruild voor meedogenloos, opportunistisch gif in de vijandelijke zestien. En misschien wachten we daarvoor simpelweg op de terugkeer van Artem Stepanov. Tot de dag dat hij zijn rentree maakt en ons verlost van de eindeloze brei aan nutteloze voorzetten en breedtepasses in de zestien, schenk ik nog maar een kopje koffie in. Extra zwart. Nog maar een beetje cynisme erbij. En we richten onszelf weer op. Op naar de volgende week. We blijven tenslotte Utrechters; we mopperen, we klagen, maar we zitten er wel weer gewoon. Hopend op die ene keer dat alles wel op zijn plek valt.



