Dit artikel is alleen leesbaar voor leden van Gazzetta Galgenwaard
De KNVB-beker wordt in de bestuurskamers van de traditionele topdrie vaak beschouwd als een troostprijs. Het is de zilveren dennenappel die je aan het eind van het seizoen omhoog mag houden als je het landskampioenschap weer eens knullig uit handen hebt gegeven, puur om de morrende aanhang koest te houden. Maar voor clubs buiten de grote drie is het bekertoernooi de Heilige Graal. Het is de kortste, meest chaotische route naar Europees voetbal, een rondvaart door de grachten en een plek in de geschiedenisboeken.
Begin deze eeuw besloot FC Utrecht dat het wel mooi was geweest met de hegemonie van Ajax, PSV en Feyenoord. Onder leiding van de stoïcijnse Fries Foeke Booy transformeerde de ploeg uit de Domstad in een meedogenloze, gedisciplineerde sloopkogel die de beker niet zomaar won, maar hem met grof geweld uit de handen van de gevestigde orde trok. De gouden jaren 2003 en 2004 vormen het ultieme, cynische sprookje van een subtopper die weigerde zijn plaats te kennen.
De Smederij van Foeke Booy: Bloed, Zweet en Montenegrijnse Magie
Toen Foeke Booy in de zomer van 2002 werd doorgeschoven van assistent naar hoofdtrainer, nam hij een ploeg over die bulkte van het karakter, maar nog op zoek was naar de absolute overtuiging. Booy was geen man van ellenlange, filosofische betogen over positiespel of driehoekjes. Hij was een nuchtere pragmaticus die precies begreep wat de Utrechtse volksaard eiste: de mouwen omhoog, schuim op de kaken en negentig minuten lang gras vreten.
Booy smeedde een elftal dat op papier al intimiderend was. Op de rechtsbackpositie rende de Belgische cultheld Stijn Vreven rond, een man die een sliding inzette alsof het zijn laatste daad op aarde was. Op het middenveld heerste Jean-Paul de Jong, de menselijke grasmaaier van de Galgenwaard die wekelijks de enkels van de tegenstander vakkundig op sterkte testte. Voorin liep een piepjonge, onvermoeibare Dirk Kuijt met de longinhoud van een renpaard, vergezeld door Igor Gluščević. Die laatste was een uiterst onvoorspelbare Montenegrijnse spits die de ene week een bal van drie meter afstand over het stadiondak kon rammen, om de week erna een onnavolgbare wereldgoal te maken. Het was een ploeg die niet kwam om het publiek te vermaken met gallery play, maar om wedstrijden te winnen, goedschiks of kwaadschiks.
1 juni 2003: De Ultieme Provocatie in De Kuip
Het bekertoernooi van het seizoen 2002/2003 was een zegetocht voor FC Utrecht, maar in de finale wachtte de ultieme eindbaas: Feyenoord. En de KNVB had, in al haar oneindige logistieke wijsheid, decennia geleden al bepaald dat de bekerfinale áltijd in De Kuip werd gespeeld. Dat betekende in de praktijk dat FC Utrecht een finale speelde die feitelijk gewoon een uitwedstrijd was.
Feyenoord was in die tijd geen misselijke ploeg. Het was het Feyenoord dat een jaar eerder nota bene de UEFA Cup had gewonnen. Met namen als Pierre van Hooijdonk, Paul Bosvelt, Bonaventure Kalou en Robin van Persie in de gelederen, heerste er in Rotterdam een sfeer van hautaine zelfverzekerdheid. Het winnen van de beker in hun eigen Kuip tegen dat provincieclubje uit Utrecht zou slechts een formaliteit zijn. De champagne stond al koud, de platte kar werd bij wijze van spreken al afgestoft.
De Utrechtse aanhang daarentegen trok massaal naar Rotterdam met een heerlijk cynisch voorgevoel. Je hoeft niet de beste te zijn om te winnen, zolang je het de tegenstander maar onmogelijk maakt om te voetballen.





De Slachtpartij: Hoe de Kuip Veranderde in een Echoput
Toen scheidsrechter Ruud Bossen op 1 juni 2003 voor de aftrap floot, had Feyenoord het balbezit, maar FC Utrecht had het script. Booy had zijn ploeg de opdracht gegeven om zich massaal in te graven en de Rotterdamse sterren geen centimeter ruimte te geven. Zodra de bal werd veroverd, moesten Kuijt en Gluščević met dodelijke precisie worden gelanceerd.
In de 39e minuut gebeurde het onmogelijke. Jean-Paul de Jong – de man die in zijn hele carrière voornamelijk bekendstond om het uitdelen van gele kaarten en die het vijandelijke strafschopgebied doorgaans alleen van een afstandje bekeek – nam de bal ineens op de pantoffel. Vanaf de rand van het zestienmetergebied zeilde de bal loeihard langs doelman Patrick Lodewijks in de kruising. 1-0. De Kuip viel stil, op het immense, kolkende uitvak na.
Na rust verwachtte heel Rotterdam een furieus Feyenoord-offensief. Dat kwam er ook, maar het miste elke vorm van raffinement. En toen FC Utrecht vier minuten na rust een messcherpe counter plaatste, sloeg de Montenegrijnse maestro toe. Igor Gluščević kapte een verdediger uit en schoot de 2-0 binnen.
De arrogantie van de thuisploeg was inmiddels omgeslagen in blinde paniek. Bonaventure Kalou deed nog wel iets terug met de 2-1, maar de Utrechtse machine haperde geen moment. Tien minuten later was het wéér Gluščević die de trekker overhaalde (3-1), en in de absolute slotfase strooide Dirk Kuijt – die uitgerekend die zomer de transfer naar Feyenoord zou maken – de laatste kilo’s zout in de Rotterdamse wonden. Hij schoot koelbloedig de 4-1 binnen tegen zijn toekomstige werkgever.
De beelden na het laatste fluitsignaal waren even surrealistisch als hilarisch. Terwijl tienduizenden verbijsterde, cynische Feyenoord-supporters in recordtempo hun eigen stadion ontvluchtten alsof er een bommelding was binnengekomen, vierde FC Utrecht feest op de helft van het veld voor het uitvak. Ze hadden niet zomaar gewonnen, ze hadden de grote favoriet voor het oog van de natie, in hun eigen vesting, een ongekend pak slaag gegeven. Het was een ultieme middelvinger naar de heersende voetbalklasse.
2004: De Bevestiging van een Bekerhegemonie
Een beker winnen is knap. Maar de beker prolongeren in het seizoen daarop, dat is pas echt een statement. In het seizoen 2003/2004 flikte het elftal van Foeke Booy het simpelweg opnieuw.
Ditmaal was het affiche in de finale op 23 mei 2004 misschien iets minder beladen: FC Twente was de tegenstander. Weer in de Kuip, maar dit keer zonder het intimiderende thuisvoordeel voor de oppositie. Waar de finale van 2003 een spectaculaire counter-masterclass was, werd de finale van 2004 een ouderwetse, oer-Hollandse modderworsteling. Het was een finale waarin het voetbal bepaald niet om aan te gluren was. Beide ploegen stonden stijf van de zenuwen, de passing was slordig en de overtredingen waren talrijk.
Maar in dat soort wedstrijden was het FC Utrecht van Booy simpelweg onverslaanbaar. Als het voetbal niet mooi kan, dan moet het maar lelijk. Halverwege de tweede helft kroop linkshalf Dave van den Bergh – de vliegensvlugge, sierlijke Amsterdammer die zijn draai in de Domstad helemaal had gevonden – naar voren. Een afgemeten voorzet belandde bij de tweede paal, en Van den Bergh schoot de bal tegendraads en kiezelhard binnen: 1-0.
De rest van de wedstrijd was een meesterproef in professioneel tijdrekken, het ontregelen van de tegenstander en cynisch uitverdedigen. FC Utrecht gooide de wedstrijd volledig in het slot. Na negentig minuten zwoegen stond FC Utrecht wéér met die KNVB-beker in de handen. Back-to-back winnaars. Twee jaar op rij de beste cupfighters van het land.
De Nalatenschap van de Gouden Jaren
De jaren 2003 en 2004 vormen de absolute hoogmis uit de geschiedenis van FC Utrecht. Natuurlijk, er werden later ook nog Europese successen gevierd en prachtige competitieseizoenen gedraaid, maar de meedogenloosheid waarmee het team van Foeke Booy het nationale bekertoernooi gijzelde, is nooit meer geëvenaard.
Het is de herinnering aan een ploeg die lak had aan reputaties. Ze stapten niet De Kuip in met het idee ‘we zien wel wat het wordt’, maar ze trokken hun voetbalschoenen aan om de regerend UEFA Cup-winnaar door de gehaktmolen te halen. En de grachtentocht door Utrecht na die 4-1 overwinning – met tienduizenden hysterische Utrechters langs het water, flessen bier die vanaf de bruggen de spelersboten in werden gegooid en een Dirk Kuijt die de KNVB-beker zowat als een kroon op zijn hoofd droeg – staat voor altijd op het netvlies van elke supporter gebrand.
In de Nederlandse voetbalwereld is er vaak weinig ruimte voor helden buiten de Grote Drie. Maar in de vroege jaren nul, dankzij een stoïcijnse Fries en een elftal vol bloedhonden, was FC Utrecht de onbetwiste, ijskoude koning van het Nederlandse voetbal. En in Rotterdam? Daar worden ze nog steeds zwetend wakker als iemand de naam ‘Igor Gluščević’ fluistert.

