Dit artikel is alleen leesbaar voor leden van Gazzetta Galgenwaard
Het is ergens poëtisch dat een stuk grond dat in de middeleeuwen diende als ‘galgenveld’ – waar de lijken van geëxecuteerden ter lering en de vermaak bungelden – eeuwen later het decor werd voor een ander soort volksvermaak. De oude Galgenwaard was decennialang de heilige grond van FC Utrecht. Maar aan alles komt een eind. Waar de meeste voetbalclubs met een traan, een galadiner en een ererondje afscheid nemen van hun geliefde, krakkemikkige stadion, pakte men dat in Utrecht nét even anders aan. Welkom bij het verhaal over 20 april 1981: de dag dat de supporters besloten de aannemer een handje te helpen en de oude Galgenwaard eigenhandig tegen de vlakte te slaan. Een ultiem staaltje Doe-Het-Zelf, met een prijskaartje van anderhalve ton.
De gloriejaren: Van windhonden tot Leo van Veen
Laten we even teruggaan in de tijd. Op 21 mei 1936 werd het stadion De Galgenwaard feestelijk geopend. Het ministerie van Oorlog had nog even lopen mopperen omdat het bouwwerk het “schootsveld zou belemmeren” (Utrecht lag immers in een fortengordel), maar het stadion kwam er. Het Utrechts Nieuwsblad schreef destijds lyrisch: “Het veld ligt als een smaragd, als in een edel metaal gevat”.
In die vroege jaren was de Galgenwaard een multifunctioneel bolwerk. Ja, er werd gevoetbald door DOS en Hercules, maar het was ook het epicentrum voor wielerwedstrijden op de baan, atletiek, turnen, windhondenwedstrijden en zelfs massale congressen van Jehova’s getuigen.
Toen in 1970 FC Utrecht werd opgericht, werd de Galgenwaard definitief de onbetwiste voetbaltempel van de Domstad. Het was de tijd van spelers als Leo van Veen (“Mister FC Utrecht”), wiens naam traag en gestaag van de tribunes rolde na wéér een treffer: “Leeeeeoo, Leeeeeoo, Leeeeeoo”. Het stadion kende ongekende pieken, maar begin jaren ’80 begon de smaragd toch echt scheuren te vertonen. Het was koud, tochtig, onveilig en simpelweg op. Er moest een nieuw, state-of-the-art stadion komen.
En dus werd 20 april 1981 met rood omcirkeld in de agenda. De allerlaatste wedstrijd. FC Utrecht tegen PSV. Het moest een romantisch galgemaal worden.
De Aanloop: Een ongemakkelijke sfeer
Het bestuur van FC Utrecht had een mooi draaiboek klaarliggen voor de 20e april. Na het laatste fluitsignaal zou er in de bestuurskamer, in het bijzijn van lokale notabelen en met gepast ceremonieel vertoon, afscheid worden genomen. De dag erna zou de professionele sloper rustig beginnen met de demontage. Er zat namelijk een addertje onder het gras: FC Utrecht zou tijdelijk verhuizen naar een noodcomplex op het Veemarktterrein.
Dat betekende dat de hekwerken, de demontabele banken, de ijzeren dug-outs en de doelen niet gesloopt mochten worden. Die moesten immers mee naar de tijdelijke locatie. Voorzitter Cees Werkhoven en directeur Cor Hessel hadden uit voorzorg toch maar om wat extra politie gevraagd. Men voelde aan alles dat het publiek, en dan met name de beruchte Bunnikside, wel eens onrustig kon worden.
De Wedstrijd: Een doodsaaie 0-0
Als een stadion dan toch moet sterven, hoop je als voetballiefhebber op een kraker. Een 4-3 overwinning, een pegel in de kruising in de 90e minuut, tranen van ontroering.
Het werd een bloedeloze, tergend saaie 0-0.
Het duel kroop zonder ook maar een vleugje romantiek, sentiment of nostalgie voorbij. Uit pure verveling begonnen de supporters op de Bunnikside tijdens de tweede helft alvast de vertrouwde plaatsen achter het doel te mollen. Waarom wachten op het fluitsignaal als de wedstrijd toch niet om aan te gluren is?
PSV-trainer Thijs Libregts zat peinzend op de bank. Hij verklaarde later: “Ik was echt bang dat het publiek al tijdens de wedstrijd de sloop zou beginnen”. Zijn angst was gegrond. Terwijl de 22 spelers op het veld er weinig van bakten, volgde Libregts ongerust de schermutselingen achter de doelen. De waanzin bereikte een voorlopig hoogtepunt toen een ‘idioot’ (zoals de kranten hem later omschreven) hoog in een van de lichtmasten klom en zich daar tussen de schijnwerpers begon uit te kleden. Je moet toch wat op een maandagavond.
Het Fluitsignaal: De Grote Verbouwing
Scheidsrechter Jan Keizer – die elf seizoenen daarvoor óók de allereerste FC Utrecht-wedstrijd in de Galgenwaard had gefloten – blies voor de laatste keer op zijn fluit. Dat was het teken. Niet voor applaus, maar voor de aanval.
Duizenden Utrechters staarden vervolgens verbijsterd naar de honderden jongeren van de Bunnikside die als een losgeslagen horde het veld bestormden. De drang om de beuk in het verouderde stadion te gooien, die al weken borrelde, kwam er in één klap uit. Het was alsof er een half uur lang een orkaan over de smaragd van 1936 raasde.
Het cynische dieptepunt voor het bestuur? De hooligans sloopten niet de betonnen muren die toch plat moesten, maar gingen massaal aan de haal met exact de spullen die mee moesten verhuizen naar het Veemarktterrein:
- De doelen: Bezweken onder het gewicht van tientallen vandalen die als een tros bananen aan de lat hingen. De palen knapten als dode takken.
- De dug-outs en ruiten: Verplaatsbare tribunes op de oude wielerbaan werden uiteengereten. De brokstukken werden vervolgens als breekijzers gebruikt om de ijzeren dug-outs en vrijwel alle ruiten aan diggelen te slaan.
- De omrastering: Samen met de daaraan gespijkerde reclameborden ging alles plat of in splinters.




De Kater: Huilende directeuren en brokstukken
Terwijl buiten de ravage compleet was, vluchtte voorzitter Cees Werkhoven weg van het slagveld naar de beschutting van de bestuurskamer. Daar stonden de lokale notabelen met hun glaasjes wijn enigszins ongemakkelijk te wachten op het ‘gepaste afscheid’. De speeches die volgden, dropen van verbittering. “Heel, erg triest,” veroordeelde Werkhoven het barbarisme. “Het is al met al een schandaal.”
Directeur Cor Hessel was er nog slechter aan toe. Hij kon wel janken. De verkeerde sloopploeg had de club zojuist opgezadeld met een gigantische schadepost. “Dat levert ons ruw geschat een schadepost op van anderhalve ton,” berekende Hessel, terwijl buiten de laatste ruiten sneuvelden.
Toch waren er te midden van deze chaos ook nog sprankjes aandoenlijke clubliefde te vinden. Een oudere dame, al twintig jaar trouw lid van de club, was tijdens de rellen rustig naar een bestuurslid gelopen. Ze vroeg uiterst beleefd of de slopers, als ze dan toch bezig waren, misschien een brokje steen voor haar wilden bewaren als aandenken. De man zal ongetwijfeld naar buiten hebben gewezen, suggererend dat ze uit de immense puinhoop zelf wel een souvenir kon oprapen.
Vijfenveertig jaar voetbalhistorie werd binnen een half uur ontluisterd
Conclusie: Een Typisch Utrechts Afscheid
In augustus 1982 opende Stadion Nieuw Galgenwaard zijn deuren met een vriendschappelijke wedstrijd tegen Southampton. Het was voor 18 miljoen gulden (60 miljoen inclusief de kantoren) uit de grond gestampt en was op dat moment een van de modernste stadions ter wereld, mede dankzij de beroemde droge grachten om het veld.
Maar het verhaal van het oude stadion leeft voort. De sloop op 20 april 1981 was chaos, het was vandalisme en het kostte de club goud geld. Toch heeft het met de jaren een bijna mythische, komische status gekregen. Het is de ultieme illustratie van de Utrechtse volksaard: rauw, ongeduldig en altijd bereid om letterlijk de handen uit de mouwen te steken. Zelfs als niemand daar om gevraagd heeft.



