Dit artikel is alleen leesbaar voor leden van Gazzetta Galgenwaard
Europees voetbal kent op televisie altijd een uiterst gelikt decor. De Champions League-hymne schalt uit de speakers, de grasmat ligt erbij als een biljartlaken en de cornervlaggen wapperen zachtjes in een zwoele herfstbries. Maar wie in het begin van deze eeuw als supporter zijn club achterna reisde in de vroege rondes van de UEFA Cup, wist dat de realiteit soms meer weghad van een grimmige oorlogsfilm. Zeker als de reisbestemming zich bevond in het voormalige Oostblok. Waar westerse clubs leefden voor de sportieve eer en de kantineomzet, fungeerden sommige Oost-Europese stadions in die tijd als verzamelplaatsen voor hyper-agressieve, paramilitair aandoende milities die negentig minuten voetbal zagen als een hinderlijke onderbreking van een avondje ongecompliceerd matten.
Toen FC Utrecht in september 2002 werd gekoppeld aan Legia Warschau, boekte de argeloze supporter een ticket met de hoop op een mooie najaarstrip en een sportieve stunt. Wat ze kregen, was een regelrechte helletocht die hun kijk op de Europese voetbalcultuur voorgoed zou veranderen.
Gewapend met een luguber assortiment aan wapens
Op 19 september 2002 was het zover. FC Utrecht reisde af naar de Poolse hoofdstad. Onder leiding van trainer Foeke Booy trad de ploeg aan met een elftal dat op papier toch wel tegen een stootje kon. Met mannen als de onverschrokken Stijn Vreven, doelman Harald Wapenaar, de ervaren Jean-Paul de Jong en een nog piepjonge, tomeloze Dirk Kuijt, zou je zeggen dat Utrecht niet zomaar onder de indruk was. Maar waar de spelers op het veld nog de illusie van controle hadden, gold dat absoluut niet voor de meegereisde supporters. De tocht naar Warschau werd voor de Utrechtse aanhang een regelrechte nachtmerrie.
De meegereisde FC Utrecht-fans beseften al snel dat ze geen gasten waren, maar prooidieren.
Het begon al bij de sfeer in de Poolse hoofdstad. Waar een uitwedstrijd normaal gesproken in het teken staat van bier drinken op een lokaal plein onder toeziend oog van een slaperige agent ter plaatse, was de ambiance in Warschau ronduit ijzig. De hardcore aanhang van Legia – destijds berucht in heel Europa – had niet de intentie om er een gezellig volksfeest van te maken. Zij beschouwden de komst van de Nederlanders als een uitgelezen kans om hun territorium op de meest primitieve wijze te verdedigen. Al uren voor de aftrap struinden groepen Poolse hooligans door de straten, gewapend met een luguber assortiment aan slaginstrumenten. Er werd openlijk geflaneerd met boksbeugels, messen, knuppels en zogeheten ‘ploertendooiers’, een flexibele wapenstok met een loden knop die in Nederland hooguit in de vitrine van het Politiemuseum lag.
Geen gasten, maar prooidieren
De meegereisde FC Utrecht-fans beseften al snel dat ze geen gasten waren, maar prooidieren. Auto’s met gele kentekenplaten werden bij het minste of geringste met sleutels en stenen bewerkt. Het absolute dieptepunt van deze pre-match intimidatie speelde zich af rondom het hotel waar een groot deel van de Utrechtse aanhang zijn toevlucht had gezocht. De lokale relschoppers hadden haarfijn in de gaten waar de vijand zich bevond en sloegen het pand simpelweg in een hinderlaag. Terwijl de Utrecht-supporters binnen met samengeknepen billen naar buiten staarden, werd het hotel van alle kanten bekogeld met straatstenen, flessen en ander grofvuil. De surrealistische kroon op dit geweld was een zware, complete bloempot die door de ruiten naar binnen werd geslingerd, recht tussen de doodsbange Nederlanders.

Gijzeling door de Arbeidstijdenwet
Je zou verwachten dat op zo’n moment het overlevingsinstinct het overneemt en er besloten wordt om het hele voetbalgebeuren over te slaan en direct koers te zetten naar de Duitse grens. Maar hier botste de Oost-Europese straatterreur op een heerlijk stukje oer-Hollandse bureaucratie: de rijtijdenwet. De buschauffeurs van de Nederlandse touringcars lieten doodleuk weten dat hun wettelijke uren erop zaten. Ze moesten verplicht elf uur rusten. Regels zijn immers regels, of de straten nu bezaaid liggen met bewapende hooligans of niet. Terwijl buiten de ploertendooiers door de lucht zwaaiden, zaten de supporters muurvast, gegijzeld door hun eigen chauffeurs die keurig de Arbeidstijdenwet stonden te handhaven.
Toen de Utrechters uiteindelijk – deels onder zware en chaotische politiebegeleiding – het Wojska Polskiegostadion bereikten, bleek dat slechts het voorgerecht. Het stadion was een verweerd, betonnen karkas dat een atmosfeer ademde van pure vijandigheid. Terwijl FC Utrecht op het veld kansloos werd afgedroogd met 4-1 (met dank aan een tragisch eigen doelpunt van Alje Schut, waardoor de fraaie 2-1 van een jonge Dirk Kuijt al snel gereduceerd werd tot een voetnoot), speelde de ware psychologische oorlogsvoering zich af op de tribunes. De Utrecht-fans zaten als ratten in de val in het uitvak, onophoudelijk bestookt met verbale en fysieke dreigementen vanuit de omliggende vakken, waar de lokale politie opvallend weinig moeite deed om de gemoederen te sussen.
Bewuste sabotage van de Poolse politie
Maar de echte, pure doodsangst bewaarden de Poolse autoriteiten voor het laatste fluitsignaal. In elk normaal stadion ter wereld, en zeker bij Europese risicowedstrijden, geldt de gouden regel dat het uitpubliek na de wedstrijd minimaal een half uur wordt vastgehouden. Dit geeft de politie de tijd om de thuissupporters rondom het stadion te verdrijven. Waarna het uitvak in één massale, strak beveiligde colonne naar de bussen of treinen wordt geëscorteerd. Met een groep ben je immers veilig.
In Warschau besloot de stadionbeveiliging echter tot een tactiek die met terugwerkende kracht grenst aan bewuste sabotage. In plaats van de deuren gesloten te houden of de groep als geheel te evacueren, werd het uitvak gedwongen om de tribunes in kleine, gefragmenteerde groepjes te verlaten. De supporters mochten niet tegelijkertijd naar buiten. Het resultaat was een lugubere, druppelsgewijze aftocht in de donkere Poolse nacht.
Woud van vijandigheid
Het vereist weinig inlevingsvermogen om te begrijpen wat dit betekende. Buiten de stadionpoorten hadden de gewapende groepen Legia-hooligans zich in de schaduwen rondom het stadion gegroepeerd. Doordat de Utrechtse fans met telkens vijf of tien man tegelijk de straat op werden gestuurd, liepen zij rechtstreeks een moordende fuik in. Ze waren getransformeerd tot het ultieme, hapklare prooivoer. Zonder de bescherming van de massa en met een volstrekt ontoereikende politiemacht in de directe omgeving, moesten deze plukjes Utrechters zich een weg banen door een woud van vijandigheid. Voor veel meegereisde supporters bestond de weg naar de bus uit pure paniek: rennen voor je leven, wegduiken voor knuppels en bidden dat je niet werd afgezonderd in een zijstraat.
Het is een klein wonder dat deze logistieke nachtmerrie niet is uitgemond in dodelijke slachtoffers. Toen de bussen – waarvan de chauffeurs inmiddels aan hun rustquota hadden voldaan – eindelijk met gierende banden Warschau achter zich lieten, was de stemming er niet een van teleurstelling over een verloren voetbalwedstrijd, maar een van pure, getraumatiseerde opluchting over het blote overleven. Het 4-1 verlies deed er allang niet meer toe. Het enige dat telde, was dat de deuren van de bus dichtgingen en de snelweg naar het veilige, saaie westen in het vizier kwam. De uitwedstrijd tegen Legia Warschau was geen voetbalreisje; het was een zenuwslopende ontsnapping uit een krankzinnige, Oost-Europese valstrik.


Ik denk niet dat de schrijver zelf aanwezig is geweest in Warschau. Er kloppen zaken zeker, maar een heleboel ook niet.
De schrijver was zeker aanwezig in Warschau. Ik ben wel benieuwd wat er niet klopt? Of mis je bepaalde zaken?