Dit artikel is alleen leesbaar voor leden van Gazzetta Galgenwaard
Als je in de Domstad wordt geboren, krijg je drie dingen vanaf de wieg mee: een onvoorwaardelijke liefde voor de Domtoren, de rotsvaste overtuiging dat een ‘broodje Mario’ culinair werelderfgoed is, en een levenslang abonnement op hartkloppingen, frustraties en onversneden vreugde-explosies dankzij FC Utrecht. FC Utrecht is geen club voor gloryhunters of mooiweersupporters. Het is een club van bloed, zweet, tranen, en het soort onverzettelijkheid dat je alleen in het hart van Nederland vindt. Waar de traditionele top drie (Ajax, PSV, Feyenoord) de prijzenkasten regelmatig moet uitbreiden, koestert Utrecht elke gewonnen beker als een heilig relikwie.
FC Utrecht is de onbetwiste ‘best of the rest’ van het Nederlandse voetbal. Een luis in de pels van de top, een onneembare vesting in de Galgenwaard, en een club met een geschiedenis die leest als een spannend, bij vlagen komisch jongensboek. Dit is niet zomaar een club; dit is een emotie, een levenswijze en af en toe een vorm van milde zelfkastijding. Ga er goed voor zitten, want de reis door de geschiedenis van de Utregse trots is er een vol pieken, dalen, tragiek, humor en vooral: onbreekbare clubliefde.
Hoofdstuk 1: De Prehistorie en de Drie-Eenheid
Om FC Utrecht echt te snappen, moet je terug naar de tijd dat televisie nog in zwart-wit was, voetballers na de wedstrijd een sigaretje opstaken in de kleedkamer en de KNVB nog met harde hand regeerde. Voor 1970 bestond FC Utrecht namelijk helemaal niet. De stad was op voetbalgebied een versnipperd strijdtoneel, verdeeld over drie professionele clubs met elk hun eigen bloedfanatieke achterban: DOS, Elinkwijk en Velox.
DOS: De Aristocraten met de Landstitel
DOS (Door Oefening Sterk) was de absolute aristocraat van de drie en de club met de meeste grandeur. Ze speelden in het geel-zwart en hadden hun thuisbasis in de oude Galgenwaard. DOS schreef in 1958 ultieme geschiedenis. Met de legendarische en sierlijke spits Tonny van der Linden in de gelederen, werd DOS in een zenuwslopende beslissingswedstrijd tegen SC Enschede (de voorloper van FC Twente) in stadion De Goffert in Nijmegen landskampioen van Nederland. Het was de eerste en (tot nu toe) laatste keer dat de landstitel in Utrecht werd gevierd. Het winnende doelpunt van Van der Linden in de verlenging (1-0) leverde hem een heldenstatus op die tot de dag van vandaag voortduurt.
Elinkwijk: De Strijders uit Zuilen
In het noordwesten van de stad, in de arbeiderswijk Zuilen, regeerde USV Elinkwijk. Waar DOS stond voor techniek en flair, stond Elinkwijk voor mouwen opstropen en beuken. Elinkwijk speelde op het roemruchte sportpark Amsterdamsestraatweg. De aanhang bestond voornamelijk uit fabrieksarbeiders van Werkspoor en Demka. De club bracht snoeiharde verdedigers en onverzettelijke middenvelders voort. Voor een Elinkwijker was voetbal geen spelletje; het was oorlog, en met name de derby’s tegen DOS waren veldslagen waarbij heel Zuilen uitliep.
Velox: De Slimme Jongens uit Tolsteeg
In het zuiden van de stad, rondom de wijk Tolsteeg, bevond zich Velox. Hoewel ze misschien niet de prijzen wonnen van DOS of de brute werkkracht hadden van Elinkwijk, stond Velox bekend om zijn innovatieve en tactisch slimme spel. Bovendien brachten zij een van de grootste namen uit het internationale voetbal voort: Willem van Hanegem, De Kromme, zette hier zijn eerste schreden in het betaalde voetbal voordat hij de rest van de wereld ging veroveren.
De onderlinge rivaliteit was in de jaren ’60 ongekend. Een Elinkwijker gunde een DOS-supporter het licht in de ogen niet, en vice versa. Maar terwijl de supporters elkaar over en weer het leven zuur maakten, begonnen de fundamenten van het Utrechtse profvoetbal te rotten. De financiële tekorten liepen schrikbarend op, toeschouwersaantallen liepen terug, en geen van de drie clubs kon meer concurreren met de nationale top. De KNVB en de gemeente Utrecht zagen het onheil naderen en grepen hard in.
Hoofdstuk 2: Het Gedwongen Huwelijk (1970)
Eind jaren zestig voerde de gemeente, gesteund door de KNVB, de druk op: als de stad Utrecht in het profvoetbal wilde blijven meedoen, moesten de krachten gebundeld worden. Een sanering was onvermijdelijk. Op 1 juli 1970 was het zover: DOS, Elinkwijk en Velox fuseerden tot de stichting FC Utrecht. Het was een huwelijk uit berekening, waarbij de bruid, bruidegom en de schoonouders met zware tegenzin hun handtekening zetten.
De clubkleuren werden tactisch gekozen om niemand voor het hoofd te stoten: het rood en wit van het stadswapen van Utrecht verving de clubkleuren van de drie voorgangers. Het logo, een dynamische ‘U’ die een schuine voetbal doorsnijdt, werd ontworpen. De kersverse fusieclub nam zijn intrek in Stadion Galgenwaard. Vanaf die dag was de stad verenigd onder één vaandel, al duurde het jaren voordat de nostalgische supporters hun oude liefdes echt los konden laten.
De eerste officiële wedstrijd van FC Utrecht in de Eredivisie was direct een vuurdoop: thuis tegen landskampioen en Europacup I-winnaar Feyenoord. Dat Utrecht, een samenraapsel van drie selecties onder leiding van de Amsterdamse trainer Bert Jacobs, erin slaagde om met 1-1 gelijk te spelen dankzij een doelpunt van Jan Groenendijk, gaf de burger moed. De nieuwe club was niet van suiker.
In die beginjaren leunde de club zwaar op spelers als Leo van Veen (afkomstig van DOS), Co Adriaanse (jawel, de latere succestrainer was toen een spijkerharde verdediger) en doelman Piet Schrijvers. Utrecht ontpopte zich al snel tot een subtopper die, hoewel financieel nog steeds regelmatig wankelend, in de eigen Galgenwaard voor geen enkele topclub bang was.
Hoofdstuk 3: De Galgenwaard – Van Executieplaats tot Voetbaltempel
Je kunt de geschiedenis van FC Utrecht onmogelijk loskoppelen van haar iconische thuishaven: Stadion Galgenwaard. De naam alleen al boezemt tegenstanders ontzag in, en dat is historisch gezien volkomen terecht. Tot het jaar 1600 was ‘Galghenwert’ buiten de stadsmuren letterlijk een galgenveld. Hier werden geëxecuteerde criminelen en verraders opgehangen als lugubere waarschuwing voor naderende reizigers. Eeuwen later, in de jaren ’30 van de twintigste eeuw, kreeg het een vrolijkere bestemming als sportpark.
Het Oude Galgenwaard was een typisch multifunctioneel stadion uit die tijd. Er lag een ovale wielerbaan om het veld, de tribunes bestonden deels uit houten bankjes en onoverdekte staanplaatsen. In de jaren ’70 groeide dit stadion, met zijn intense sfeer (en het nodige hooliganisme op de befaamde en beruchte Bunnikside), uit tot een fort. Maar het stadion raakte hopeloos verouderd, onveilig en rijp voor de sloop.
1981: De Legendarische Zelf-Sloop
Het absolute hoogtepunt (of dieptepunt, afhankelijk van hoe je het bekijkt) van de geschiedenis van het oude stadion vond plaats op 21 april 1981. FC Utrecht speelde de allerlaatste wedstrijd in het oude onderkomen tegen PSV. Vooraf was al bekend dat het stadion direct daarna gesloopt zou worden om plaats te maken voor een fonkelnieuwe, hypermoderne Galgenwaard.
De Utrecht-supporters, die wel van een beetje aanpakken hielden, besloten de aannemer een handje te helpen. Na het laatste fluitsignaal stroomde het publiek het veld op en brak in een kolkende zee van baldadige euforie het stadion eigenhandig af. Stoeltjes werden met brute kracht losgetrokken, hekken werden neergehaald, reclameborden werden aan gruzelementen geslagen en de grasmat werd vierkante meter voor vierkante meter uitgespit en in kofferbakken meegenomen naar achtertuinen in Vleuten en Overvecht. De politie stond erbij en keek ernaar, compleet machteloos. De beelden van deze ‘Utrechtse Zelf-Sloop’ haalden de wereldpers. “De sloopkosten waren in ieder geval nihil,” werd er later lachend geconcludeerd door de directie.




In 1982 verrees Nieuw Galgenwaard. Het was een stadion zonder grimmige hekken, maar mét revolutionaire droge grachten rondom het veld. Dit betekende uitstekend zicht en, ironisch genoeg, een veiliger onderkomen. Rond de eeuwwisseling onderging dit stadion opnieuw een grote transformatie. De tribunes werden verhoogd en voorzien van immense kantoorgebouwen, waarbij bewust de hoeken open werden gelaten. De gierende wind in de Galgenwaard is sindsdien een extra verdediger gebleken voor FC Utrecht. Met ruim 23.000 stoeltjes vormt het vandaag de dag een van de meest sfeervolle voetbaltheaters van het land.
Hoofdstuk 4: De Jaren ’80 en de Eerste Dennenappel
Onder leiding van de piepjonge, tactisch begaafde trainer Han Berger, speelde FC Utrecht in de vroege jaren ’80 aantrekkelijk voetbal. Berger slaagde erin om Utrecht de subtop in te loodsen en zelfs Europees voetbal te behalen. Spelers als Willy Carbo (beroemd om zijn hakbaldoelpunt), Frans Adelaar en een onverzettelijke Jan Wouters bepaalden het gezicht van de club.
Toch bleef er iets knagen. De club had nog nooit een tastbare prijs gepakt. In het seizoen 1984-1985 viel echter alles op zijn plek in het toernooi om de KNVB Beker. FC Utrecht, dat in de Eredivisie nooit structureel kon aanhaken bij de top-3, bleek in knock-outwedstrijden een onverslaanbare cupfighter.
De finale van 1985 bracht Utrecht naar De Galgenwaard (ja, de KNVB besloot soms finales bij een van de finalisten te spelen, alhoewel dat zelden onomstreden was). De tegenstander was verrassend genoeg eerstedivisionist Helmond Sport. Utrecht was de torenhoge favoriet, maar de zenuwen verlamden het elftal. Helmond verdedigde stug en counterde gevaarlijk. Terwijl de minuten wegtikten en een verlenging onvermijdelijk leek, was het de oersterke spits John van Loen die in de allerlaatste minuut van de reguliere speeltijd de bal achter doelman Versfeld kopte: 1-0.
De ontlading was ongekend. Het hele stadion, de spelers, het bestuur; iedereen huilde van geluk. Vijftien jaar na de gedwongen en pijnlijke fusie was FC Utrecht definitief volwassen geworden. De beker, in de volksmond liefkozend de Dennenappel genoemd, werd op de schouders van de spelers door de stad gedragen. Het was het cement dat de stad voorgoed verbond aan FC Utrecht.
Hoofdstuk 5: Jaren ’90 – Grijze Middelmaat en Flitsen van Briljantie
De jaren ’90 bleken een decennium van overleven. FC Utrecht balanceerde financieel constant op de rand van de afgrond. Er waren jaren waarin het faillissement slechts afgewend kon worden door de verkoop van de beste spelers (zoals Igor Gluscevic, Włodzimierz Smolarek of een talentvolle eigen jeugdspeler). Utrecht werd het domein van grijze middelmaat; plek acht, plek negen, plek tien, en af en toe een onverwachte uitschieter naar beneden.
Toch waren de jaren ’90 niet zonder magie, en dat was voornamelijk te danken aan de komst van Michael Mols in 1996. De Amsterdamse spits, die niet bij Ajax was doorgebroken, vond in Utrecht zijn absolute droomclub. Met zijn fabelachtige kapbeweging (die steevast drie verdedigers de verkeerde kant op stuurde), zijn explosieve versnelling en zijn neusje voor de goal, verhief Mols het voetbal in de Galgenwaard weer tot kunst. Hij liet het publiek smullen en werd een absolute godengelijkheid in Utrecht, totdat de Schotse grootmacht Glasgow Rangers hem voor een recordbedrag kwam wegkapen.
In diezelfde jaren ’90 maakte het Utrechtse publiek kennis met de speler die zou uitgroeien tot de ultieme cultheld van de club: Jean-Paul de Jong. Waar Mols de techniek vertegenwoordigde, was De Jong de personificatie van de Utrechtse strijdlust. Tussen 1993 en 2007 speelde hij ruim 400 wedstrijden. Hij was een spijkerharde stofzuiger op het middenveld en een absolute nachtmerrie voor aanvallende tegenstanders. Illustratief is zijn all-time Eredivisierecord: in zijn carrière verzamelde De Jong 83 gele kaarten, een onovertroffen mijlpaal. Als Jean-Paul zijn noppen aan het vastdraaien was in de catacomben, greep menig scheidsrechter preventief naar zijn borstzakje. Hij stond altijd vooraan bij opstootjes, ging elke tackle aan alsof zijn leven ervan af hing, en weigerde pertinent om op te geven.
Hoofdstuk 6: De Gouden Jaren en Diep Verdriet (2000-2010)
Als FC Utrecht-fans praten over de “Gouden Tijd”, dan hebben ze het over het begin van het nieuwe millennium onder trainer Foeke Booy. Booy, een pragmatische maar scherpe Fries, smeedde een team dat in mentaal en fysiek opzicht onbreekbaar was. Hij beschikte over een formidabele mix van jonge honden, ervaren krijgers en onverwachte sterren. Het boegbeeld van deze ploeg was Dirk Kuyt, de Katwijkse visboer die in Utrecht uitgroeide tot een internationale sensatie.
2003: De Kuip Veroverd
In het seizoen 2002/2003 raasde FC Utrecht als een orkaan door het bekertoernooi. Ze bereikten de finale, die gespeeld werd in De Kuip, tegen nota bene Feyenoord, dat een jaar eerder de UEFA Cup had gewonnen. Voorafgaand werd Utrecht geen enkele kans toegedicht. Maar die dag klopte alles. Met een weergaloze Jean-Paul de Jong, een ontketende Igor Gluscevic, en Dirk Kuyt die streed om elke grasspriet, overrompelde Utrecht het elftal van Bert van Marwijk. FC Utrecht won met een historische 4-1, de grootste en meest overtuigende bekerwinst in de geschiedenis van de club. Kuyt, die daarna naar Feyenoord zou vertrekken, verliet de Galgenwaard via de absolute voordeur.
2004: Twee Keer is Scheepsrecht en de Schaal
Tot verbazing van heel voetballend Nederland stond FC Utrecht een jaar later, in 2004, wéér in de bekerfinale, ditmaal tegen FC Twente. Zonder Kuyt, maar met nieuwe helden zoals de flegmatieke Roemeen Mihai Nesu en spelmaker Stefaan Tanghe, won Utrecht wederom. Het werd 1-0 door een knal van Dave van den Bergh.
De climax van dit gouden tijdperk kwam een paar maanden later, in augustus 2004, tijdens de strijd om de Johan Cruijff Schaal tegen de kersverse landskampioen Ajax in de Amsterdam ArenA. Waar bekerwinnaars normaal gesproken kansloos zijn in deze seizoensopener, besloot Utrecht geschiedenis te schrijven. In een zinderend gevecht stonden ze verrassend op toen de stofwolken optrokken: 4-2 winst voor Utrecht. Twee doelpunten van Hans Somers en knallers van Darl Douglas beslisten het lot van Ajax. FC Utrecht schreef een unicum: het was en is de enige club buiten de traditionele top 3, AZ en FC Twente die deze Supercup wist te winnen.
November 2005: De Zwarte Dag – David Di Tommaso
Het gouden tijdperk werd in één klap gitzwart in de herfst van 2005. De Franse verdediger David Di Tommaso was overgekomen van CS Sedan. Binnen no-time stal ‘DiTo’ de harten van de fans met zijn onberispelijke verdedigende werk en elegante stijl; hij werd in zijn eerste seizoen meteen uitgeroepen tot Speler van het Jaar.
Op zondag 27 november 2005 speelde FC Utrecht thuis tegen Ajax en won met 1-0. Di Tommaso speelde fantastisch. In de daaropvolgende nacht sloeg het noodlot toe. David Di Tommaso overleed volkomen onverwacht in zijn slaap aan een hartstilstand, slechts 26 jaar oud. Het nieuws sloeg in als een bom. Het stadion werd een bloemenzee, de stad was in diepe, diepe rouw. Tienduizenden fans verzamelden zich in het stadion voor een emotionele herdenking. Rugnummer 4, het nummer van Di Tommaso, werd voorgoed teruggetrokken door de club en de prijs voor de Speler van het Jaar werd permanent hernoemd tot de David Di Tommaso Trofee. Zijn beeltenis staat voor altijd in de Galgenwaard gegrift en zijn naam wordt nog steeds regelmatig vol respect gezongen.
Hoofdstuk 7: De Suikeroom, Ten Hag en de Moderne Tijd (2010s – heden)
Toen de economische crisis toesloeg en de successen uit de jaren 2000 naar de achtergrond verdwenen, kwam FC Utrecht opnieuw in penibele financiële situaties terecht. Er werd gesproken over gemeentesteun en saneringen. Totdat in 2008 de Utrechtse multimiljonair en fan in hart en nieren Frans van Seumeren instapte. Hij was de eigenaar van Mammoet (het bergingsbedrijf dat de beroemde Russische kernonderzeeër de Koersk boven water haalde) en besloot zijn favoriete club de reddingsboei toe te gooien.
Van Seumeren kocht 63% van de aandelen en pompte tientallen miljoenen in de club. Hij beloofde niet alleen de schulden af te lossen, maar sprak ook luidkeels de ambitie uit om “de top drie aan te vallen”. Hoewel dat laatste steevast een complexer traject bleek dan gedacht, bracht Van Seumeren stabiliteit. Met zijn bekende sigaar, leren jasje en tomeloze passie op de tribune is de clubeigenaar zelf inmiddels een clubicoon geworden.
De sportieve opleving onder Van Seumeren kreeg écht vorm toen in 2015 Erik ten Hag werd aangesteld als hoofdtrainer. Waar vorige trainers steevast terugvielen op het bekende “vechtvoetbal”, eiste Ten Hag tactische perfectie, fitheid en dominantie. Ten Hag moderniseerde de club van top tot teen. Spelers als Sébastien Haller en Nacer Barazite bloeiden op, en Utrecht kwalificeerde zich voor Europees voetbal en speelde bij vlagen schitterend. Onder Ten Hag werd in 2016 wéér een bekerfinale bereikt (die helaas verloren ging tegen Feyenoord) en werd Utrecht de stabiele top-6 ploeg die het anno nu is. Na het vertrek van Ten Hag naar Ajax in 2017 bleef Utrecht, onder wisselende trainers zoals John van den Brom, René Hake en Ron Jans, structureel meestrijden om de Europese tickets in de play-offs, waarbij het de rol van de ‘eeuwige challenger’ van de Nederlandse top vervult.
Hoofdstuk 8: Europese Nachten – Heldenepossen en Pijnlijke Blunders
Als FC Utrecht de grens over trekt in de Europa League (en diens voorlopers), weet je één ding zeker: het wordt nooit saai, en de kans op een collectieve zenuwinzinking is groot.
Utrecht heeft een aantal schitterende, onvergetelijke prestaties geleverd. In de zomer van 2010 kende Utrecht, onder trainer Ton du Chatinier, een droomcampagne. Ze overleefden de zware voorrondes tegen FC Luzern en, met name, het roemruchte Celtic. Nadat Utrecht in Schotland in een heksenketel met 2-0 had verloren, gaven weinig mensen nog een cent voor hun kansen in de return. Echter, in een magische, kolkende Galgenwaard veegde FC Utrecht de Schotse giganten met 4-0 van de mat. Spits Ricky van Wolfswinkel speelde de wedstrijd van zijn leven en tekende voor een hattrick.
Die overwinning bracht ze in een groepsfase des doods met Liverpool, Napoli en Steaua Boekarest. Het werden onvergetelijke nachten. Tegen Napoli werd in Italië knap met 0-0 gelijkgespeeld (in een wedstrijd die beroemd werd door de stalen zenuwen van doelman Michel Vorm). Thuis tegen het oppermachtige Liverpool van Roy Hodgson (met spelers als Fernando Torres) werd het ook 0-0, met een uitzinnig strijdend Utrecht dat geen krimp gaf.
Maar in Utrecht bestaan heroïek en kolder naadloos naast elkaar. Voor elke magische Europese overwinning is er een FC Differdange ’03. In 2013 lootte Utrecht deze semi-professionele vereniging uit Luxemburg (waarvan de keeper de volgende ochtend gewoon in de bakkerij moest staan) in de voorronde van de Europa League. Het moest een formaliteit zijn. Het liep uit op een totale nachtmerrie. Utrecht verloor in Luxemburg en speelde in eigen huis met 3-3 gelijk door kolderiek verdedigen. FC Utrecht lag er in de tweede voorronde uit tegen een veredeld amateurteam, een trauma dat in voetballend Nederland nog steeds regelmatig met een grote glimlach wordt opgerakeld (behalve in Utrecht, uiteraard). Zes jaar later volgde een soortgelijk debacle in de bossen van Bosnië tegen HSK Zrinjski Mostar. Het is en blijft Utrecht: in staat om Napoli in toom te houden, maar te zwak om de slager van Differdange af te stoppen.
Hoofdstuk 9: Het Lexicon van de Utrechtse Culthelden en Smaakmakers
Een voetbalclub is niets zonder zijn protagonisten. Bij FC Utrecht hoef je niet per se de allerbeste techniek te hebben; zolang je maar strijdt, zweet en blijk geeft van onvoorwaardelijke inzet, sluit de Galgenwaard je in de armen. Dit bracht een reeks unieke figuren voort, naast de eerder genoemde Wouters, De Jong, Van Veen en Mols:
- Jan Willem van Ede: Een van de meest ondergewaardeerde keepers van Nederland. Speelde vijftien jaar onafgebroken onder de lat voor FC Utrecht. Nooit spectaculair, altijd degelijk, stil en betrouwbaar.
- Stijn Vreven: Deze excentrieke Belgische rechtsback was slechts een paar jaar in Utrecht te bewonderen (1999-2003), maar werd een absolute volksgod. Met zijn wilde manen, indianentooi-achtige uitstraling, wurggrepen, tackles op kniehoogte en tomeloze agressie was hij de vleesgeworden Bunnikside. Vreven was niet zomaar een verdediger; hij was de belichaming van pure passie.
- Jens Toornstra: Het moderne clubicoon. Als vrolijke en onvermoeibare middenvelder speelde hij de sterren van de hemel, vertrok met succes naar Feyenoord, en besloot jaren later om weer naar huis terug te keren. Toornstra belichaamt voetbalgogme met een werkethiek.
- Sébastien Haller: Voor velen onvoorstelbaar dat hij ooit voor Utrecht speelde, maar de Franse spits (later succesvol bij Ajax, Borussia Dortmund en de Champions League topscorerlijsten) liet in de Galgenwaard voor het eerst zijn wereldklasse zien. Elegante balbehandeling gecombineerd met dodelijke efficiëntie.
- Dries Mertens & Kevin Strootman: Beide spelers vormden rond 2010 een fantastische as bij FC Utrecht. Mertens was een watervlugge, kleine Belgische magiër met een geweldige trap. Strootman de meedogenloze veroveraar en aangever. Ze blonken dermate uit dat PSV ze na één en een half seizoen gebundeld opkocht voor miljoenen.
Hoofdstuk 10: Zoudenbalch en de Fabriek der Talenten
FC Utrecht heeft van de nood om te overleven vaak een deugd gemaakt. Op het beroemde trainingscomplex Zoudenbalch, gelegen in de schaduw van de Galgenwaard, bouwde de club in de loop der decennia een uitmuntende jeugdopleiding op. Zonder de financiële middelen van de top 3 om wereldsterren te kopen, wist de club steevast dat de eigen kweek vijver essentieel was voor de toekomst.
Het lijstje van spelers dat is opgeleid in Utrecht is duizelingwekkend. Het beste voorbeeld is natuurlijk Wesley Sneijder. De recordinternational en Champions League-winnaar groeide op in de Utrechtse wijk Ondiep en doorliep zijn vroegste jeugd bij Utrechtse amateurclubs (DOS) en in het gezichtsveld van FC Utrecht. Hoewel Ajax hem in een vroeg stadium naar Amsterdam haalde, stroomt er puur Utrechts bloed door zijn aderen. Andere fantastische spelers die daadwerkelijk uitbraken via Zoudenbalch zijn Ibrahim Afellay (die als piepjonge speler al vertrok), Ismaïl Aissati, Erik Pieters en natuurlijk doelman Michel Vorm. De jeugdopleiding van FC Utrecht geldt nog steeds als een kraamkamer waar jongens met branie en talent in gelijke mate worden gekneed.
Conclusie: Een Levenslange Veroordeling uit Liefde
Als het stof neerdaalt op meer dan vijftig jaar historie, blijft FC Utrecht een uniek bolwerk in de Eredivisie. Het is een club die weigert te buigen voor de gevestigde orde, die lak heeft aan kapsones, en die een innige, soms rauwe symbiose vormt met de stad die het vertegenwoordigt. Of ze nu met briljant combinatievoetbal een titelkandidaat van het veld spelen, op heroïsche wijze ten onder gaan in een bekerfinale of totaal onnodig en apathisch drie punten weggeven aan de hekkensluiter van de competitie; het hoort er allemaal bij.
Wie FC Utrecht aanhangt, kiest niet voor de makkelijke weg. Je kiest voor koude zondagmiddagen in een tochtige Galgenwaard, voor hese stembanden van het zingen van “Utereg me stadsie”, voor de frustratie van de incidentele zeperd in de polder, en voor de absolute, pure, onvervalste extase wanneer de beker – al is het twintig jaar geleden – ein-de-lijk weer op de platte kar door de singels wordt gevaren.
Het is de club van het volk. Het is FC Utrecht. En zoals ze daar zelf al decennia stellig beweren: de rest is gewoon bijzaak.

